
Syndrome des basses richesses: Een nieuwe uitdaging voor de suikerbiet!
Leer over deze ziekte bij suikerbieten: symptomen, verspreiding, vectorbeheer, landbouwmaatregelen en vooruitgang in resistente variëteiten

Welke landen zijn het zwaarst getroffen?
SBR werd voor het eerst waargenomen in Aizeray in het oosten van Frankrijk en verspreidde zich snel over de grenzen heen. Het treft vooral Duitsland en Zwitserland en werd ook vastgesteld in Hongarije, Tsjechië, Slowakije en Italië. De afgelopen jaren heeft de ziekte zich vooral ontwikkeld in het zuiden en oosten van Duitsland, waar ze vandaag bijna 80.000 hectare gewassen treft. In Nederland zijn er enkele positieve monsters waargenomen.
Wat zijn de symptomen van deze ziekte?
De eerste symptomen verschijnen aan het einde van de zomer.
- De oude bladeren worden geel en vertonen duidelijke chlorose, terwijl de jonge bladeren smal, langwerpig en vaak asymmetrisch worden (afbeelding 1).
- In de wortel veroorzaakt deze ziekte necrose van de vaatbundels (afbeelding 2).
Hoewel de wortelopbrengst kan worden beïnvloed, is het vooral de drastische daling van het suikergehalte die de grootste economische verliezen veroorzaakt voor de landbouwers en de suikerindustrie. Bovendien worden de aangetaste bieten sterk verzwakt en worden ze gevoeliger voor andere ziekten of plagen.
Wat zijn de bestrijdingsmiddelen?
Bij de bestrijding van SBR wordt grotendeels gefocust op de beheersing van de vector, de cicade. Insecticiden kunnen de populatie beperken, maar hun effectiviteit blijft miniem.
De reden hiervoor is de lange activiteitsperiode van het insect en de beperkte werkingsduur van de producten, vooral tijdens warme periodes. Bijgevolg zijn meerdere opeenvolgende behandelingen tijdens de piekperiode van de vlucht van volwassen cicaden nodig om de schade aan de gewassen aanzienlijk te beperken. Bovendien brengt de cicade een deel van zijn levenscyclus in de grond door, wat de chemische bestrijding nog bemoeilijkt.
Kunnen we landbouwkundige oplossingen bieden?
Wijzigingen in het bouwplan bieden veelbelovende mogelijkheden. De cicade begint haar voortplantingscyclus op suikerbieten en eindigt deze in de herfst op het volgende gewas, meestal een wintergraan. Door na de suikerbieten wintertarwe te vervangen door maïs kan het aantal cicaden dus aanzienlijk worden verminderd. Door tarwe te vervangen door zomergerst kan ook het aantal nimfen dat het volwassen stadium bereikt, worden verminderd.
Kan selectie een invloed hebben?
Er bestaan genetische verschillen waardoor veredelaars kunnen werken aan de ontwikkeling van variëteiten. SESVanderHave heeft sinds enkele jaren selectieprogramma’s opgezet die zich richten op SBR. De eerste resultaten zijn bemoedigend en er zijn al tolerante variëteiten van SESVanderHave geïdentificeerd en op de markt gebracht in Duitsland. In Nederland zijn er geen rassen met een SBR-tolerantie aangemeld, maar gezien de ernst voor de suikerbietenteelt zal hier op de korte termijn mogelijk verandering in komen. Bij problemen moeten we terugvallen op Europees geregistreerde rassen als FITIS.
Levenscyclus van de vector
Van eind mei tot begin augustus koloniseren volwassen cicaden de bietenvelden. De vrouwtjes leggen hun eitjes in de grond, dicht bij de wortels, waar ze ongeveer twee weken later uitkomen. De larven ontwikkelen zich door zich te voeden met de bietenwortels tot aan de oogst.
Na een winterrust voltooien de nimfen hun ontwikkeling op een tweede gewas, meestal wintertarwe. Ze kunnen echter ook overwinteren op de wortels van maïs, selderij, bieslook of kool.
In het voorjaar voltooien de nimfen hun ontwikkeling tot volwassen exemplaren, die vervolgens uit de grond komen om naar naburige bietenvelden te migreren en de cyclus opnieuw te beginnen.
Tijdens warme zomers kan de cyclus worden versneld en kan er een tweede generatie cicaden verschijnen die van eind augustus tot half september vliegt.
Wanneer volwassen cicaden zich voeden en de fytobacterie in hun speekselklieren dragen, brengen ze deze over op de biet. In dat geval kan de ziekte ‘Syndrome des Basses Richesses’ ontstaan: de fytobacterie koloniseert het vaatweefsel van de biet, waardoor het suikergehalte daalt.
De overdracht van de fytobacterie kan op twee manieren gebeuren. In het eerste geval kunnen de larven die zich voeden met bieten die eerder door de volwassen exemplaren van de vorige generatie zijn geïnfecteerd, de ziekteverwekker oplopen. We spreken dan van horizontale overdracht, van de besmette plant naar het insect. In het tweede geval geven vrouwtjesbladluizen die drager zijn van de fytobacterie deze rechtstreeks door aan hun nakomelingen. Dit type overdracht, verticaal genoemd, van insect naar insect, betreft ongeveer 30% van de gelegde eitjes.
De gewasresten van besmette bieten op graanvelden vormen een reservoir voor de SBR en kunnen, als ze niet door chemische of mechanische onkruidbestrijding worden verwijderd, bijdragen aan het in stand houden van het insect in de bodem, of een bron van besmetting van volwassen exemplaren met de fytobacterie vormen.
Meer informatie?
Contacteer Wim Zandvoort
Sales Manager Nederland
wim.zandvoort@sesvanderhave.com
+316 10 51 83 78
Tekst: SES VanderHave
Beeld: SES VanderHave



