
Alle tools tegen aaltjes maximaal benutten
Krijg inzicht in aaltjesbeheersing met ICM‑maatregelen, monitoren, bodem‑ en teeltstrategieën voor effectieve controle en behoud van middelen in de praktijk

Kennisuitwisseling als versneller
De middag startte met een oproep om praktijk, advies en onderzoek dichter bij elkaar te brengen:
,,Om aaltjes de baas te blijven moeten we samen leren en is kennisuitwisseling - van teler tot onderzoeker – van cruciaal belang. We weten best veel van aaltjes, maar er is nog véél meer dat we niet weten. Nieuwe technieken gaan ons de komende jaren helpen om telkens een stap verder én dieper te komen’’, zo trapte Strategy Lead en aardappelspecialist Albert Schirring de middag af.
ICM als basis: eerst weten wat er zit, dan pas sturen
Integrated Crop Management (ICM) werd neergezet als fundament onder aaltjesbeheersing: je combineert preventie, teeltmaatregelen, rassenkeuze, hygiëne en — pas als sluitstuk — een gerichte middeltoepassing. Daarbij begint alles met een realistische inschatting van de uitgangssituatie:
,,Om aaltjes nu en in de toekomst onder controle te houden moeten we alle tools die we ter beschikking hebben benutten. Dat begint wat mij betreft altijd bij monitoren en bemonsteren, want dan weet je wat je uitgangssituatie is en kun je veel gerichter te werk gaan’’, zo stelt hij.
Onderbelichte (maar vaak bepalende) knoppen in de praktijk
Volgens de besproken aanpak bestaat een integrale strategie in elk geval uit meerdere samenhangende onderdelen. Allereerst draait het om monitoring en bemonstering: door gericht monsters te nemen, bij voorkeur planmatig per perceel of zone, kan de druk en de soortensamenstelling beter worden bepaald. Daarnaast is bodembeheer een belangrijke pijler, waarbij het ondersteunen van structuur, organische stof en een actief bodemleven centraal staat. Dit helpt niet alleen de bodemweerbaarheid, maar kan ook de stress in het gewas beperken.
Ook vruchtwisseling speelt een duidelijke rol. Door de rotatie ruim genoeg te houden, kan de opbouw van populaties worden geremd. Waar het mogelijk is, kunnen resistente rassen worden ingezet als structurele manier om de druk te verlagen. Verder kunnen (groen)bemesters en vanggewassen helpen om populaties als het ware te ‘sturen’ en de aanwezigheid van waardplanten te beperken. Tot slot zijn hygiëne en logistiek essentieel: het is belangrijk om grondversleep tussen percelen te voorkomen, bijvoorbeeld via machines, kisten en het erf.
Middelen: smalle basis, daarom extra zorgvuldig toepassen
In Nederland is de keuze aan nematiciden beperkt. In de sessie werd dat concreet gemaakt met drie opties: Nemathorin 10G, Verango/Velum Prime en Nemguard. Juist bij zo’n smalle basis wordt het belangrijk om de inzet goed in te passen in het totale ICM-plan en niet te leunen op één “oplossing”.
Daarbij werd ook dit (breed gedragen) uitgangspunt onderstreept:
‘Het toepassen van een nematicide is het sluitstuk van de aaltjesbeheersing, maar wél een onmisbaar sluitstuk’
Schadelijke aaltjes: wat gebeurt er ondergronds?
Plantparasitaire aaltjes vormen een diverse groep: wereldwijd zijn er duizenden soorten bekend, maar een relatief klein aantal veroorzaakt de grootste economische schade. Drie groepen kwamen nadrukkelijk aan bod:
-
Aardappelcystenaaltjes (Globodera spp.)
Er worden vaker mengpopulaties gezien en in meerdere regio’s verschuift de druk richting G. pallida. Dat maakt rassenkeuze, rotatie en monitoring belangrijker, omdat beheersing per soort en populatie kan verschillen. -
Wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne spp.)
Deze aaltjes hebben veel waardplanten. Daardoor kan een populatie zich snel én stabiel uitbreiden, ook als het bouwplan varieert. In de praktijk wordt bovendien geregeld gezien dat aantasting samengaat met extra problemen door bodemschimmels, doordat het gewas verzwakt. -
Wortellesieaaltjes (Pratylenchus spp.)
Het schadebeeld kan sterk per ras verschillen — zowel in wortels als op knollen. Dat maakt veldherkenning lastiger en vergroot het belang van een goede diagnose (symptomen + analyse).
Een zichtbaar veldsignaal dat daarbij vaak genoemd werd: valplekken (onregelmatige groei en opbrengst in het perceel). Zulke plekken zijn een aanleiding om gericht te bemonsteren in plaats van “gemiddeld” te kijken.
Resistentiemanagement: van advies naar randvoorwaarde
Naast teeltmaatregelen ging veel aandacht naar resistentiemanagement bij gewasbeschermingsmiddelen. De kernboodschap was helder:
,,Mijn belangrijkste boodschap voor deze middag is dat resistentiemanagement niet meer vrijblijvend is, maar een absolute noodzaak om middelen effectief en in de running te houden. Telers, adviseurs, distributeurs en fabrikanten hebben allemaal de uitdrukkelijke taak om dit heel serieus te nemen’’, zo beklemtoonde Rijkers.
Praktisch houvast: classificaties en afwisseling
Als hulpmiddel werden de bekende classificaties genoemd (FRAC/IRAC/HRAC): indelingen op werkingsmechanisme. Het doel is niet “zoveel mogelijk wisselen”, maar bewust afwisselen tussen werkingsmechanismen, zodat plagen en ziekten minder kans krijgen zich aan te passen.
Fluopyram: effectief houden door slim doseren en plannen
De werkzame stof fluopyram vraagt extra aandacht, omdat die — afhankelijk van toepassing en doel — in verschillende groepen kan vallen. In de sessie werd benadrukt dat het risico op onbedoelde “stapeling” ontstaat wanneer dezelfde werkzame stof meerdere keren in één seizoen terugkomt (via verschillende toepassingen).
Voor de praktijk werden daarom doseer- en planningsprincipes besproken, waaronder:
-
Maximeren van de jaarhoeveelheid per toepassingstype (bodem versus blad) zoals vastgelegd in adviezen en etiketten.
-
Bewust plannen van de eerste bladtoepassing na een bodemtoepassing: kies dan bij voorkeur een middel uit een andere groep dan de SDHI-groep, om selectie te beperken.
-
Extra alertheid in teelten waar dezelfde werkzame stof zowel via bodem- als bladstrategieën terugkomt.
Daarnaast werd een set basismaatregelen nog eens nadrukkelijk herhaald:
,,zorg voor een voldoende ruime vruchtwisseling, maak gebruik van aaltjesresistente groenbemesters, bemonster percelen – liefst in het najaar vanwege de grotere pakkans, voorkom aanplant in perceel waarvan bekend is dat er aaltjes zitten, houd machines schoon zodat aaltjes zich niet met aanhangende grond kunnen verplaatsen en zorg voor een actieve bodem waardoor aaltjes kunnen worden onderdrukt.’’
Praktijkvragen: wat betekent dit op het perceel?
Tijdens de bijeenkomst kwamen veel praktische vragen langs over bodemtoepassingen met fluopyram-producten (zoals Verango en Velum Prime). Hieronder de belangrijkste inzichten zoals besproken.
Tegen welke aaltjes werkt een fluopyram-bodemtoepassing vooral?
Vooral tegen Globodera spp., Meloidogyne spp. en Pratylenchus spp. werd een duidelijk effect op populatieontwikkeling besproken. Tegelijk werd benadrukt dat geen enkel nematicide de vermeerdering “volledig stilzet”; het doel is druk verlagen en schade beperken binnen een totale strategie.
In-rij of breedwerpig toepassen?
Het uitgangspunt dat werd meegegeven: hoe beter het middel rond de wortelzone terechtkomt, hoe groter de kans op effect. Daarom heeft in-rij vaak de voorkeur. Tegelijk werden proeven genoemd waarin het verschil niet altijd zichtbaar was, afhankelijk van timing en aaltjessoort.
Startmeststoffen: zinvol of niet?
De combinatie werd als neutraal tot positief omschreven. Het mechanisme zit vooral in snellere wortelgroei richting voedingszones; als aaltjes zich daar concentreren, kan een gelijktijdige bescherming in die zone helpen.
Trichodoriden en dieper liggende aaltjes
Trichodoriden zijn lastig te beheersen doordat ze in de winter dieper kunnen zitten dan het behandelde profiel. Omdat fluopyram vooral in de bovenste laag wordt ingebracht en beperkt mobiel is, geldt: wat dieper dan de wortelzone zit, wordt niet direct geraakt. Bij voldoende bodemvocht kunnen trichodoriden wel migreren richting wortels; dan kan onderdrukking optreden en kan ook de overdracht van TRV afnemen (zoals uit praktijkervaringen/proeven werd aangehaald).
Bodemtype, pH, uitspoeling en bodemleven
Bij uitspoeling werd aangegeven dat fluopyram weinig oplosbaar en beperkt mobiel is, waardoor het vooral blijft op de plek waar het is geplaatst. Het effect werd bovendien besproken als grotendeels bodemonafhankelijk. Ook de pH lijkt binnen een brede bandbreedte, ongeveer pH 4,0 tot 8,5, geen duidelijke invloed te hebben. Wat betreft het bodemleven werd genoemd dat de impact op veel nuttige bodemorganismen door de specifieke werking waarschijnlijk beperkt is.
Daarnaast kwam de vraag aan bod wat er bekend is over biologische ondersteuning en nutriëntenbenutting. In dat kader werd een biologisch product besproken op basis van Bacillus amyloliquefaciens (stam QST 713), in de markt bekend als Serenade. De werking werd langs meerdere lijnen toegelicht. Zo kunnen de bacteriën zich rond de wortels vestigen: ze koloniseren het wortelstelsel en groeien als het ware mee. Verder kunnen ze pathogenen remmen via natuurlijke metabolieten en door een beschermende ‘biofilm’ te vormen rond de wortelzone. Ook werd de mogelijkheid van induced resistance genoemd, waarbij het gewas als het ware “geprimed” kan worden zodat afweerreacties sneller op gang komen.
Er werd bovendien gesproken over een mogelijke link met nutriëntenbenutting. In meerjarige waarnemingen en proeven is aangegeven dat er effecten kunnen zijn op wortel- en stolonontwikkeling, wat weer invloed kan hebben op de opname en verdeling van nutriënten.
Belangrijk is wel dat de sessie dit nadrukkelijk positioneerde als aanvullend binnen ICM: interessant en mogelijk ondersteunend, maar geen vervanging van basismaatregelen zoals bouwplan, monitoring en hygiëne.
Conclusie
De belangrijkste les uit Monheim: effectieve aaltjesbeheersing begint niet bij een middel, maar bij kennis van je perceel en sturing via teeltmaatregelen. Juist omdat de middelenbasis smal is, worden monitoring, rotatie, resistentiebeleid en hygiëne steeds bepalender. Wie die basis op orde heeft, kan middelen gerichter inzetten — en houdt beschikbare opties langer bruikbaar.
Nemathorin® 10G is een geregistreerd handelsmerk van ISK Biosciences.
Nemguard® is een geregistreerd handelsmerk van CertisBelchim.
Captan® is een geregistreerd handelsmerk van Adama.
Tekst: Bayer Crop Science
Beeld: Bayer Crop Science
