
WUR: Tarweproductie blijft al decennialang achter door keuzes op het erf

De WUR-onderzoekers combineren in hun studie experimenten en praktijkgegevens uit Nederland met gewasmodellen. Die stellen hen in staat om beter te begrijpen waarom de opbrengstgroei sinds de jaren negentig is afgevlakt. Dat terwijl Noordwest-Europa, met een tarwe-areaal van meer dan tien miljoen hectare, een belangrijke tarweregio is. Tot halverwege de jaren negentig namen de opbrengsten gestaag toe, met gemiddeld circa honderdtwintig kilo per hectare per jaar. Daarna vlakte de groei af en bleef de opbrengst in veel landen rond een stabiel niveau van ongeveer zeven tot negen ton per hectare. De oorzaken van deze ontwikkeling waren lange tijd niet eenduidig vast te stellen.
Met veredeling en door klimaat zijn stappen naar voren gezet
Officiële variëteitsproeven hebben aangetoond dat dankzij veredeling ook na midden jaren negentig opbrengstwinst geboekt werd. In de periode 1994 tot 2016 bedroeg de genetische vooruitgang gemiddeld 74 tot 84 kilo per hectare per jaar. Moderne tarwerassen hebben een langere graanvullingsperiode en benutten licht iets efficiënter. De onderzoekers denken dat het genetische opbrengstplafond ook niet is bereikt.
Ook historische klimaatverandering blijkt over de onderzochte periode geen beperkende factor te zijn geweest. Met behulp van een gewasmodel simuleerden onderzoekers het effect van klimaatverandering, waarbij genetica en teeltpraktijken constant werden gehouden. De resultaten laten zien dat klimaatverandering tot op heden juist heeft bijgedragen aan opbrengstgroei, met 26 tot 60 kilo per hectare per jaar. Deze positieve bijdrage hangt vooral samen met hogere CO₂-concentraties en meer licht tijdens de graanvulling, als gevolg van een eerdere bloei. Het onderzoek doet geen uitspraken over de invloed van toekomstige klimaatextremen.
Naar schatting 67 tot 114 kilo opbrengstpotentie per hectare onbenut
De analyse wijst erop dat het agronomische management op het bedrijf een belangrijke rol speelt bij de niet verder toenemende opbrengstniveaus. Daarmee worden de dagelijkse keuzes bedoeld rond de gewasrotatie, teelt en bodem. De bijdrage van beheer is indirect afgeleid, als het verschil tussen de gerealiseerde landbouwopbrengsten en de opbrengstwinsten die aan genetica en klimaatverandering kunnen worden toegeschreven. Op basis daarvan blijft jaarlijks naar schatting 67 tot 114 kilo per hectare aan toename in potentiële opbrengst onbenut.
Water- en stikstofbeheer blijken daarbij in Noordwest-Europa geen sterk beperkende factoren. De resultaten wijzen vooral op intensieve vruchtwisselingen met veel, economisch aantrekkelijke wortel- en knolgewassen, en daarmee samenhangende ziekten en bodemverdichting, als factoren die de opbrengstgroei in de praktijk kunnen afremmen. Zulke bouwplannen vergroten de druk op bodem en gewasgezondheid en maken het lastiger om tarwe tijdig en optimaal te beheren.
De onderzoeksresultaten laten zien dat verdere opbrengstverbetering niet in de eerste plaats moet worden gezocht in water- en nutriëntenvoorziening, maar in andere aspecten van het management, zoals de inrichting van de vruchtwisseling, bodembeheer en daarmee samenhangende teeltkeuzes. Tegelijk benadrukken de onderzoekers dat hogere opbrengsten altijd moeten worden afgewogen tegen economische haalbaarheid en productie binnen milieugrenzen.

Tekst: Martin de Vries
Geboren en getogen in het Friese Oudehaske ontwikkelde Martin een grote interesse voor de landbouw. Als opgeleid journalist specialiseerde hij zich in de akkerbouw. Zijn overmatige dosis aan nieuwsgierigheid zet hij in voor het team rond Akkerwijzer.
Beeld: Susan Rexwinkel
Bron: Wageningen University & Research

