Meer onderzoek nodig naar effecten van gewasbeschermingsmiddelen op natuur

Aanleiding van het onderzoek is de uitspraak die de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vorig jaar deed over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt in de buurt van Natura 2000-gebied het Holtingerveld. Volgens het hoogste rechtsorgaan kan niet worden uitgesloten dat stoffen uit deze middelen significante effecten hebben op beschermde habitattypen en soorten. ‘Hierdoor dienen lelietelers in de nabijheid van Natura 2000-gebied het Holtingerveld een voortoets uit te voeren. Wanneer daarbij niet met zekerheid kan worden uitgesloten dat significante negatieve effecten optreden, is een vergunning verplicht op basis van een passende beoordeling. Als gevolg van deze uitspraak dient verkend te worden of het mogelijk is om een dergelijke voortoets op te stellen […]’, lichten de onderzoekers hun doelstelling toe.
Lees hier: Raad van State oordeelt in leliezaak: Meer onderzoek naar natuurgevolgen van gewasbescherming nodig
Niet volledig representatief
Het aantal beschikbare meetgegevens dat inzicht kan geven in de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen in Natura 2000-gebieden is zeer beperkt. Daarbij concludeert WR dat de kwaliteit en vergelijkbaarheid van deze data niet volledig geborgd is. De incidentele studierapporten die er zijn, hebben geen internationale, onafhankelijke peer-review doorlopen. Wiersma schrijft hierover: ‘Het is belangrijk te benadrukken dat de monsters zijn verzameld in het kader van onderzoeken uitgevoerd door NGO’s. Dit betekent dat de resultaten weliswaar bepaalde inzichten kunnen bieden, maar in de context van de gebruikte onderzoeksmethoden en doelstellingen niet volledig representatief zijn voor alle Natura 2000-gebieden.’
Daarbij is volgens de onderzoekers de aanwezigheid in en verspreiding van deze gewasbeschermingsmiddelen naar natuurgebieden niet enkel een Nederlandse situatie. En waarschijnlijk ook niet uniek voor natuurgebieden met aangrenzende percelen met bloementeelten, maar vereist verdere afstemming en onderzoek op Europees niveau.
Voor het formuleren van beleid is het dan ook van belang om aanvullend en breder onderzoek te laten verrichten door onafhankelijke onderzoekers, stelt Wiersma. Bij dit vervolgonderzoek is volgens Wiersma van belang om in brede zin te kijken naar mogelijke verspreidingsroutes, zoals via lucht, oppervlaktewater, grondwater en fauna.
Atmosferische depositie
Volgens WR lijkt de belangrijkste route waarlangs gewasbeschermingsmiddelen Natura 2000-gebieden kunnen bereiken atmosferische depositie. Gemeten concentraties van gewasbeschermingsmiddelen in lucht, bodem of plantmateriaal kunnen volgens het onderzoek niet worden herleid tot het gebruik van één specifieke boer. ‘Dit maakt een gebiedsbrede aanpak noodzakelijk. Door de menging van bronnen en windrichtingen is het toekennen van een bron (i.e. een individueel agrarisch bedrijf) niet realistisch; een voortoets kan daarom alleen zinvol zijn op het niveau van het natuurgebied en het (agrarisch) landgebruik van het omliggende landschap’, staat in het rapport. Daarbij bestaan er geen erkende wetenschappelijke methoden om effecten van gewasbeschermingsmiddelen op Natura 2000-gebieden te kwantificeren.
Aanbevelingen voor vervolgonderzoek
In het rapport doet WR een aantal aanbevelingen voor vervolgonderzoek. Zo stellen de onderzoekers voor om onderzoek naar bron- en herkomstbepaling van aangetroffen stoffen, inclusief de inzet van tracers of markers in spuitvloeistoffen om verspreidingsroutes nauwkeurig te volgen. Verder doen zij de suggestie om een nadere analyse te doen van blootstellingsroutes, inclusief de relatieve bijdrage van middelen aan belasting van Natura 2000-gebieden. Ook pleiten zij voor een expliciete definitie en kwantificatie van beschermdoelen voor terrestrische ecosystemen (ecosystemen die op het land voorkomen) in Natura 2000-gebieden. Wiersma onderschrijft de aanbevelingen van de onderzoekers en heeft reeds opdracht gegeven voor vervolgonderzoek.
LTO: 'Boeren en tuinders hebben behoefte aan duidelijkheid'
LTO Nederland schrijft in een reactie op haar website dat het positief is dat het onderzoek is uitgevoerd, maar dat het rapport duidelijk laat zien dat vervolgonderzoek noodzakelijk is om conclusies te kunnen trekken. ‘Het onderzoek is namelijk gebaseerd op een zeer beperkt aantal metingen, waarbij de resultaten niet wetenschappelijk geduid kunnen worden. LTO roept LVVN daarom op om samen met provincies op korte termijn een structureel monitoringsprogramma met een gestandaardiseerd meet- en analyseprotocol in te richten en uit te voeren. Boeren en tuinders hebben behoefte aan duidelijkheid over wat wel en wat niet kan in de omgeving van Natura 2000-gebieden.’
Beeld: Ellen Meinen
