Bewijs noodzaak vruchtwisseling bij uitgebruikgeving cruciaal voor landbouwvrijstelling

SGP-Kamerleden Chris Stoffer en André Flach dienden vorig jaar Kamervragen in over het Landbouwbesluit. Daarin vroegen zij onder andere opheldering over welke ruimte er blijft voor de eigen teelt van rustgewassen zonder dat bij uitgebruikgeving de landbouwvrijstelling verloren gaat. ‘Is de veronderstelling juist dat zodra een teler zelf een niet uitputtend gewas of rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen bij uitgebruikgeving geen beroep meer gedaan kan worden op de landbouwvrijstelling?’, vroegen de Kamerleden zich af.
‘In het beleidsbesluit is de voorwaarde opgenomen dat het ter beschikking stellen van de grond noodzakelijk moet zijn voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond met als doel de kwaliteit van de daarop door de terbeschikkingsteller van de grond te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren’, schrijft de staatssecretaris als antwoord hierop. Wanneer een teler zelf een niet-uitputtend gewas of rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen, is er volgens Eerenberg niet langer de noodzaak om de grond ter beschikking te stellen ten behoeve van de bodemgesteldheid en kwaliteit van de grond. ‘Mocht de eigenaar de grond toch ter beschikking stellen, dan is de landbouwvrijstelling niet van toepassing over de waardeontwikkeling van de grond over de periode dat de grond niet in het eigen landbouwbedrijf is aangewend. Als de grondeigenaar dus zelf aan de (maatschappelijk) gewenste vruchtwisseling doet, is er vanuit dat perspectief geen reden om ruimere terbeschikkingstellingsregels te hanteren.’
Onderhandse overeenkomst
De Kamerleden wilden ook weten hoe telers kunnen aantonen dat het uitgebruik geven van de grond noodzakelijk is voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond. Volgens de staatssecretaris zou dit kunnen met behulp van (vak)studies, maar ook door het overleggen van het bouwplan mits daaruit de noodzaak van de vruchtwisseling blijkt. ‘De inspecteur neemt alle feiten van het geval in ogenschouw en beoordeelt in alle redelijkheid of de landbouwvrijstelling op de ter beschikking gestelde grond van toepassing is.’
Voor het toepassen van de landbouwvrijstelling op grond die in het kader van vruchtwisseling aan een ander ter beschikking is gesteld, moet er een (schriftelijke) onderhandse overeenkomst tussen de gebruiker en beschikkingsteller zijn gesloten. Eerenberg schrijft hierover: ‘Wij realiseren ons dat deze voorwaarde kan worden ervaren als verzwaring van de administratieve lasten in die gevallen dat eerst alleen een mondelinge overeenkomst bestond. Daarbij gaat het echter wel om een fiscale faciliteit waarvan mag worden verwacht dat de belastingplichtige die kan onderbouwen. In situaties waarin sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling kunnen de terbeschikkingsteller en gebruiker van de grond relatief eenvoudig een overeenkomst opstellen.’
Eerenberg zet dit af tegen de teeltpachtwetgeving: ‘Voor de teeltpachtwetgeving is vereist dat sprake is van een bij de grondkamer geregistreerde pachtovereenkomst. Voor de landbouwvrijstelling is een onderhandse overeenkomst al voldoende.’
De staatssecretaris benadrukt dat een grondeigenaar de toepassing van de landbouwvrijstelling niet verliest voor de waardeontwikkeling van de grond voor de tijd dat deze in het eigen landbouwbedrijf werd gebruikt.
BOR en DSR ab
De staatssecretaris gaat ook in op de rol van vruchtwisseling bij bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) en de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (DSR ab). Het effect van vruchtwisseling hierop is anders dan voor de landbouwvrijstelling. Onroerende zaken die ter beschikking worden gesteld aan een ander komen sinds 1 januari 2024 niet langer in aanmerking voor de BOR en DSR ab, de zogenoemde vastgoedmaatregel, schrijft Eerenberg. ‘Er geldt echter een uitzondering op deze maatregel voor de terbeschikkingstelling van los land in het kader van teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is als bedoeld in de teeltpachtwetgeving.’
Teelten als gras of maïs zijn uitgezonderd van de teeltpachtwetgeving, omdat voor deze gewassen vruchtwisseling niet noodzakelijk is. ‘Als een akkerbouwer grond verpacht aan de melkveehouder die hier gras of maïs op teelt, kan geen teeltpachtovereenkomst worden gesloten. De BOR en DSR ab zijn dan niet van toepassing.’ Momenteel wordt onderzocht hoe een verruiming van de uitzondering van de vastgoedmaatregel kan worden vormgegeven, aldus Eerenberg. ‘De insteek is te komen tot een verruiming die bewerkstelligt dat bij uitruil van de grond tussen akkerbouwers en melkveehouders de uitzondering ook gaat gelden voor akkerbouwers in kader van noodzakelijke vruchtwisseling verpachte grond.
Overleg
Tot slot benoemd Eerenberg dat voortdurend overleg plaatsvindt tussen de Belastingdienst en vertegenwoordigers van de agrarische sector door middel van het zogenoemde Platform Landbouw. In het Platform Landbouw worden fiscale vraagstukken behandeld over landbouwgerelateerde zaken. Daarin bestaat ook ruimte voor overleg en discussie over de invulling van het onderdeel vruchtwisseling in het recent gepubliceerde beleidsbesluit. Dit overleg kan aanleiding zijn om het beleidsbesluit op punten te verduidelijken of aan te passen, mits dat uiteraard past binnen de kaders van bestaande wetgeving en jurisprudentie.
De landbouwvrijstelling
De landbouwvrijstelling is een fiscale regeling waarbij de waardestijging van grond bij verkoop onbelast blijft voor inkomstenbelasting. Hierbij geldt dan wel de voorwaarde dat een boer de grond zelf in gebruik heeft. Wanneer een boer de grond uit gebruik geeft of verpacht en er vindt dan een waardestijging van de grond plaats, dan valt die waardestijging niet onder de landbouwvrijstelling. ‘Bij verkoop van de grond moet je de boekwinst splitsen in een onbelast deel (waardestijging in periode van eigen gebruik) en een belast deel (waardestijging tijdens verpachting)’, schrijft accountancy- en adviesbureau aaff hierover op haar website. Voorheen gold dat de landbouwvrijstelling wel van toepassing is als het uit gebruik geven van de grond van belang is voor het bedrijf in kader van vruchtwisseling. Maar sinds november 2025 zijn de voorwaarden voor de landbouwvrijstelling aangescherpt door de Belastingdienst. Dat houdt onder meer in dat er een (schriftelijke) overeenkomst nodig is bij het uit gebruik geven van grond. Maar ook dat je de noodzaak van vruchtwisseling moet kunnen bewijzen. (Bron: aaff).
Tekst: Renske van Valburg
Beeld: Ruth van Schriek
