Column: Innovatie vraagt meer dan subsidie alleen

Ons Agrarisch Kennis- en Innovatiesysteem (AKIS) moet ervoor zorgen dat goede ideeën uit de praktijk uitgroeien tot breed toepasbare oplossingen. Maar werkt dat in de praktijk ook zo? Onlangs ben ik eervol ontslagen uit de Adviescommissie Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (zie Staatscourant 2026-7954). Deze commissie adviseert over de rangschikking van subsidieaanvragen binnen het GLB, zoals het Europees Innovatie Partnerschap (EIP), Fieldlabs en het Groen Economisch Herstelfonds. Het gaat om tientallen miljoenen euro’s. Iedereen kan een project indienen; de commissie beoordeelt op vaste criteria, zoals effectiviteit en de bijdrage aan bijvoorbeeld stikstofreductie. De hoogst scorende voorstellen gaan door naar RVO. Als commissielid mocht ik uiteraard geen voorstellen beoordelen waarbij ik zelf een belang had. Naast deze regelingen bestaan er nog tal van provinciale subsidies, die uiteindelijk allemaal worden gefinancierd uit dezelfde Brusselse pot: het Nationaal Strategisch Plan-GLB.
Wat in de commissievergaderingen steeds terugkwam, waren vragen als: hoe innovatief is dit eigenlijk? Of: dit bestaat al, waarom sluit men niet aan bij een lopend initiatief? Regelmatig zagen we voorstellen die bij de ene regeling waren afgewezen en het vervolgens bij een andere regeling opnieuw probeerden. Opvallend was dat projecten zich in verschillende innovatiefasen bevonden, maar toch met elkaar concurreerden binnen één regeling. Soms ging het om een pril of wetenschappelijk omstreden idee, soms om een bewezen concept dat moeite had met opschalen. Sommige voorstellen zou je het liefst direct een innovatievoucher willen meegeven om het idee verder te brengen. Andere initiatieven (zeker als het gaat om een middeltje) vragen om een gedegen praktijkproef. En weer andere ideeën zijn klaar voor opschaling. Als commissie konden wij slechts beoordelen of een voorstel paste binnen de regeling. Nu vraag ik me af: wie organiseert eigenlijk wel de samenhang tussen al die innovaties? Wie zorgt dat projecten logisch op elkaar voortbouwen, van idee tot praktijk en opschaling?
Wie organiseert eigenlijk de samenhang tussen al die innovaties?
Recent is het kennis- en innovatiebeleid van LVVN doorgelicht. Conclusie: het beleid is op hoofdlijnen doeltreffend, maar mist samenhang en doorwerking naar de praktijk. En welke innovaties stimuleren eigenlijk gedragsverandering en doelbereik? Het oude Minas-systeem deed dat volgens mij wel, maar de huidige bemestingsnormen doen dat minder.
Het roept bij mij ook de vraag op wat de rol is van onze grootste kennisleverancier: Wageningen UR. Jaarlijks gaan daar honderden miljoenen euro’s naartoe. Zou die kennisbasis niet actiever verbonden moeten worden aan ideeën uit de praktijk? Mijn ervaring is namelijk dat LVVN het toch pas wil opschalen wanneer Wageningen UR het goed genoeg vindt. Dan kun je ze er dus beter maar direct bij betrekken. Mijn oproep aan het ministerie én aan de provincies: ontwikkel een innovatietrechter. Haal geregeld ideeën op uit de praktijk, help de beste voorstellen vooruit, laat ze gedegen uitwerken en bied daarna een logische route naar opschaling. Voor elke innovatie op het juiste moment het juiste instrument. Pas dan gaat het AKIS echt werken.
U hoort weer van me.
Tekst: Frank Verhoeven
Beeld: Agrio archief

