Verdeeldheid over versoepelingsvoorstellen EU-toelating gewasbeschermingsmiddelen

Het huidige beoordelingssysteem voor gewasbeschermingsmiddelen loopt vast. Dat vertelde Klaus Berend aan de Tweede Kamer. Berend, topambtenaar bij het directoraat Gezondheid van de Europese Commissie, en daar verantwoordelijk voor voedselveiligheid, was naar Den Haag afgereisd om deel te nemen aan het rondetafelgesprek en uitleg te geven over de plannen van de Commissie om de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen te vereenvoudigen. Want het systeem werkt niet meer, zei hij. Er liggen nog tweehonderd aanmeldingen op goedkeuring te wachten, waarvan de helft al langer dan vijf jaar. En als men in Europa doorgaat op de oude voet, stapelt dat alleen maar verder op.
Daarom, vertelde Berend, wil de Commissie de regels versoepelen. Dat wil ze doen met een zogeheten omnibus, een pakket aan maatregelen om belemmerende regeldruk aan te pakken. Stoffen worden in dat omnibus-voorstel in principe voor onbepaalde tijd goedgekeurd, en hoeven niet meer elke tien of vijftien jaar te worden herbeoordeeld. Een uitzondering wordt gemaakt voor de meer risicovolle middelen; daarvoor blijft een periodieke herbeoordeling nodig.
Daarnaast wil de Commissie biologische middelen met voorrang beoordelen, zodat die sneller op de markt kunnen komen. En zolang de beoordeling van die middelen loopt, zouden lidstaten ze al voorwaardelijk kunnen toelaten.
Extra waarborgen nodig bij toelating gewasbeschermingsmiddelen
CTGB-directeur Marcel van Raaij is het wel eens met de filosofie achter het voorstel om meer risicogericht te werk te gaan, vertelde hij. Maar extra waarborgen zijn volgens hem wel nodig. Ook voor biologische middelen, want die kunnen net als chemische middelen ook toxisch zijn. Biologische middelen die zeer toxisch zijn zouden wat hem betreft niet moeten kunnen profiteren van het snelle toegangstraject.
Kamerleden hadden vragen bij de veiligheid van het nieuwe programma. „In de afgelopen tijd zijn 162 stoffen verboden, nadat een herbeoordeling heeft aangetoond dat ze schadelijker zijn dan eerst gedacht”, stelde Anne-Marijke Podt. Ze wilde weten hoe dat gaat onder het nieuwe voorstel, als stoffen voor onbepaalde tijd worden goedgekeurd. Van Raaij beaamde dat, en zei dat het CTGB daarom pleitte voor een aanpak waarbij nieuwe wetenschappelijke inzichten en monitoringsgegevens effectief worden meegenomen, en dat middelen op grond van die inzichten snel van de markt gehaald kunnen worden.
Laagrisicomiddelen nodig om omslag te maken
In een tweede ronde kwamen vertegenwoordigers van de sector aan het woord. Zij waren positief over het EU-voorstel. „In onze ambitie om in 2030 honderd procent groen te telen, vormen laagrisicomiddelen het fundament”, zei Jesse Schevel van Glastuinbouw Nederland. „En dit wetsvoorstel legt dat fundament.”
Directeur BO Akkerbouw André Hoogendijk sloot zich daarbij aan. „Het klinkt hier misschien een beetje gek”, zei hij, „maar we zouden, als sector en als maatschappij, de focus juist wat af moeten brengen van beschermingsmiddelen.” De Nederlandse akkerbouwsector, legde hij uit, is al bijna tien jaar bezig met een verduurzamingsslag, en dat gaat veel verder dan middelen alleen. Dat heeft veel te maken met de bodem, met rassenkeuze, waarschuwingssystemen, innovatie, maar ook met gesprekken in de keten over producten van duurzame teelten. Maar een van de aspecten is een verduurzaming van het middelenpakket, zei hij, en de noodzakelijke verschuiving naar groene middelen blijft achter. „We zien al een jaar of tien dat het stokt.” Als je dan kijkt naar het omnibus-pakket van de Europese Commissie, zegt hij, dan zitten daar veel maatregelen in om groene middelen sneller beschikbaar te willen maken voor telers.
„We zien dat Nederlandse telers en ketenpartijen die omslag snel willen maken”, zegt Hoogendijk, „en we denken dat dit pakket daarvoor een enorme ondersteuning zal geven.”
Gevaar voor de volksgezondheid
Maar niet iedereen was zo enthousiast over het pakket. „Wij willen ook graag een snelle verduurzaming van de akker- en tuinbouw met zo weinig mogelijk chemie”, vertelde Berthe Brouwer van Natuur en Milieu. „En een versnelling van biologische middelen helpt daarbij.” Maar het omnibusvoorstel geeft ook een makkelijkere markttoegang voor chemische middelen, stelde ze, en dat maakt die verduurzaming weer moeilijker.
Ze was ook kritisch op het schrappen van de herbeoordeling voor niet-gevaarlijke stoffen. „Want”, zei ze, „de risico’s zijn niet altijd vooraf te voorspellen.” Ze noemde DDT en PFAS als voorbeelden van stoffen waarvan men bij de introductie dacht dat ze niet gevaarlijk waren. „Het veiligheidsnet van periodieke herbeoordeling is daarom nodig.” Ook had ze problemen over de langere respijtperiode van drie jaar voor middelen die verboden worden. De Commissie heeft die periode verlengd om de industrie de tijd te geven om alternatieven te ontwikkelen, maar volgens Brouwer betekent dat dat bewezen onveilige middelen langer gebruikt worden.
Neuroloog Bas Bloem was het daarmee eens. „Dat aangetoond giftige middelen in plaats van achttien maanden nu zesendertig maanden nog gebruikt mogen worden, vind ik onmogelijk om uit te leggen”, zei hij. Zijn zorg was dat voortschrijdend inzicht van de wetenschap niet wordt meegenomen bij de toetsing van bestrijdingsmiddelen. „Geneesmiddelen die adequaat zijn getoetst in trials, kunnen later, in de praktijk, toch giftig blijken te zijn”, zei hij. „Daarom worden geneesmiddelen constant getoetst. En als we dat daar doen, waarom kunnen we dat dan niet doen bij bestrijdingsmiddelen?”
Hij was positief over het voornemen om groene middelen sneller toegang te bieden, maar negatief over de rest van het omnibuspakket. „Die maatregelen zijn niet uit te leggen vanuit het belang van de volksgezondheid.”
Hij benadrukte dat hij geen problemen met de land- en tuinbouwsector heeft. „Ik heb juist veel waardering en respect voor wat de sector zelf doet om het gebruik van middelen terug te dringen. Ik ben niet op een missie tegen land- en tuinbouw, ik ben op missie tegen Parkinson.”
