
Brede aanpak houdt maïspercelen goed schoon
Lees hoe een brede aanpak onkruidbestrijding in maïs per perceel wordt afgestemd voor schone percelen

De maïs moet schoon zijn. Met deze aanpak lukt dat in de praktijk eigenlijk altijd goed.
Karel van Rijswick
Karel van Rijswick runt samen met compagnon Erik Reinders het loonbedrijf, dat zich richt op zowel akkerbouwgewassen zoals aardappelen, bieten, graan en cichorei als op voedergewassen als maïs en grasland. Ook teeltadviseur Jos Leenders schuift aan. Hij begeleidt het bedrijf al jaren op het gebied van akkerbouw, maïs en grasland.
Het is begin februari en voor het eerst in dagen is het weer een paar graden boven nul. Buiten worden machines gereinigd, terwijl in de werkplaats onderhoud plaatsvindt. “Dit is de periode waarin het wat rustiger is. Dan nemen we de plannen voor het komende seizoen nog eens goed door”, vertelt Van Rijswick. Intussen wacht hij op de levering van een nieuwe veldspuit: een zelfrijdende machine van 33 meter breed, voorzien van luchtondersteuning en een dopafstand van 25 centimeter. “Met deze machine halen we een hoge driftreductie en mogen we vrijwel alle toegelaten middelen toepassen. Hopelijk kunnen we daar weer jarenlang mee vooruit, al weet je dat tegenwoordig nooit helemaal zeker.”
Veel werk in de akkerbouw
Zo’n 60 tot 70 procent van de werkzaamheden van het loonbedrijf ligt in de akkerbouw. In de regio zijn relatief veel kleine tot middelgrote akkerbouwbedrijven, vaak van ondernemers op leeftijd zonder opvolger. Voor hen is investeren in eigen machines lang niet altijd rendabel. “Daarom hebben wij bijvoorbeeld veel werk in de aardappelteelt, met onder meer twee pootmachines en vier rooiers. Gelukkig worden de meeste aardappelen over een langere periode af land geleverd. Daardoor kunnen we het rooien spreiden van eind juli tot vaak eind november en komen we minder snel in de knel met ander oogstwerk.”
Ook het spuitwerk neemt de laatste jaren toe. Volgens Van Rijswick kiezen kleinere of oudere telers er steeds vaker voor om niet meer zelf in een nieuwe veldspuit te investeren. “Ons werk wordt daardoor steeds breder. Het loonwerk schuift meer op richting complete ontzorging van klanten. Boeren leggen steeds vaker het landwerk in onze handen. Dat vergroot niet alleen onze verantwoordelijkheid, maar vraagt ook steeds meer kennis van teelt en gewasbescherming.”
Snijmaïs staat onder druk
In de maïsteelt ziet Van Rijswick duidelijke verschillen tussen bedrijven. Ongeveer de helft van zijn klanten kiest voor een echt snijmaïsras, vooral melkveehouders. Daarnaast teelt ruim 30 procent een dubbeldoelras en ongeveer 20 procent korrelmaïs, vaak op akkerbouwbedrijven. Vooral de snijmaïsteelt staat volgens hem onder druk door het afnemende aantal melkveebedrijven. “Dat areaal wordt ieder jaar iets kleiner.”
De arealen voor dubbeldoel- en korrelmaïs blijven voorlopig redelijk op peil, al merkt hij wel dat sommige telers vaker voor granen kiezen, onder meer vanwege de rustgewasverplichting.
Voor ons maakt het uiteindelijk niet zoveel uit. We hebben voldoende capaciteit voor zowel hakselen als dorsen.
Karel van Rijswick
Gladvindergras en doornappel vragen aandacht
Voor de onkruidbestrijding laat het loonbedrijf zich al jaren adviseren door Leenders. Door de grote variatie in grondsoorten, van licht zand tot zware rivierklei, verschilt ook het onkruidbeeld sterk. Op percelen waar traditioneel veel maïs wordt geteeld, vooral op veehouderijbedrijven, rukt vooral gladvingergras steeds verder op. Op akkerbouwpercelen vraagt juist doornappel vaker aandacht.
Om die brede onkruiddruk goed aan te pakken, kiest het loonbedrijf voor een vrij vaste en brede spuitmix. Soberan vormt daarbij de basis, in een dosering van 1,5 tot 2,25 liter per hectare. “Met Soberan hebben we al jarenlang goede ervaringen”, zegt Leenders. “Het middel is veilig, veroorzaakt geen gewasreacties en doet gewoon wat het moet doen.” Ook Van Rijswick is positief: “Wij worden afgerekend op het eindresultaat. De maïs moet schoon zijn, en met deze basis lukt dat goed.”
Een belangrijk voordeel is dat de onkruidbestrijding in de meeste gevallen met één bespuiting klaar is. “Dat lukt tot nu toe nog steeds vrij goed”, aldus Van Rijswick. “Alleen heel af en toe is een aanvullende onderbladbespuiting nodig tegen haagwinde. Meestal gaat het dan om kleipercelen direct langs de Maas, dus echt om heel plaatselijke situaties.”
Mix afgestemd op perceel en onkruiddruk
Om de werking te verbreden, wordt de basis regelmatig aangevuld met onder meer Callisto, Frontier Optima en Samson. Daarmee is op het overgrote deel van de percelen een passende mix samen te stellen. De dosering van Soberan wordt daarbij vooral afgestemd op de druk van gladvingergras. Is dat onkruid nadrukkelijk aanwezig, dan wordt de dosering verhoogd van 1,5 naar 2,25 liter per hectare.
Op herfstgeploegde kleigrond waar grote kamilleplanten de winter hebben overleefd, wordt de mix soms nog verder aangescherpt. En wanneer haagwinde een specifiek probleem vormt, wordt de samenstelling aangepast om ook daar voldoende langdurige werking op te houden.
Tekst: Bayer Crop Science
Beeld: Bayer Crop Science