Doelsturing in de akkerbouw: KPI1: stikstofbodemoverschot
Column: Het stikstofbodemoverschot is een krachtige KPI die stuurt op de nitraatproblematiek

We trappen af met KPI 1: het stikstofbodemoverschot. En dan beginnen we gelijk met een dossier dat de gemoederen in de sector al enkele decennia bezighoudt: de uitspoeling van nitraat naar grond- en oppervlaktewater. De Europese nitraatrichtlijn stamt uit 1991 met als doel minder dan 50 mg nitraat per liter water. Het eerste Nederlandse nitraatactieprogramma kwam er in 1996 en was gericht op middelen: gebruiksnormen, verboden en verplichte vanggewassen. Dat heeft effect gehad en de concentraties daalden stevig, maar rond 2012 vlakt die verbetering af. In sommige regio’s zien we zelfs weer een stijging.
De kern van het probleem is niet zo moeilijk: wie meer stikstof aanvoert dan het gewas benut, houdt een overschot over. Dat stapelt zich op in de bodem en komt vooral in het najaar vrij – op een moment dat het gewas weinig meer opneemt. Zeker op zand en in kwetsbare grondwatersystemen is de stap naar uitspoeling dan klein. Inmiddels zijn we bij het 8e actieprogramma aanbeland en voeren we heftige discussies rondom de NV-gebieden.
Veel akkerbouwers zullen het stikstofbodemoverschot nog herkennen uit de MINAS tijd. Gemiddeld ligt het rond de 120 kg N per hectare, met grote verschillen tussen bedrijven. De aanvoer van organische mest is natuurlijk een belangrijke knop. Het merendeel vult zijn bemestingsruimte volledig op, wat korte termijn economisch misschien logisch is. De vraag is: hoe ver kun je zakken zonder opbrengst te laten liggen?
Praktijkproeven laten zien dat er meer ruimte is dan vaak gedacht. Zo zijn er bedrijven waar stikstof volledig via vlinderbloemigen en groenbemesters wordt aangevoerd en dan daalt het overschot richting de 30 kg N per hectare. Een reductie van 30-40 procent moet haalbaar zijn zonder productieverlies. Hoewel we altijd te maken hebben met jaarsinvloeden is het stikstofbodemoverschot een sterke stuurvariabele. Het vertelt iets over je totale bedrijfsvoering: bemesting, rotatie, gewaskeuze en timing. En daarmee ook over het risico op verliezen. Niet perfect, maar wel praktisch. De KPI staat bovendien naast andere KPI’s in de kernset, want ook bodembedekking met rustgewassen stuurt op minder nitraatverliezen. Een logische streefwaarde voor doelbereik zou rond de 75 kg N/ha liggen. Waar zit je?
De sector kiest nu voor N-mineraal metingen, voor bodemmonsters. Waar het stikstofbodemoverschot inzicht geeft in je jaarbalans, laat N-min zien wat er daadwerkelijk nog in de bodem zit. N-min meet op perceelsniveau, het overschot stuurt op bedrijfsniveau. Het zijn geen concurrenten maar verschillende detailniveaus. N-min metingen geven de teler veel inzicht, maar overal bodemmonsters nemen is misschien niet altijd en overal nodig? En het is nog de vraag of de uitslag van het bodemmonster geschikt is om een bedrijf op te belonen c.q. op af te rekenen?
„Meten en verbeteren via KPI’s brengt de sector vooruit. Zie het als kans en voorkom kalenderlandbouw”
Gebruik KPI’s allereerst om jezelf te vergelijken met collega’s op vergelijkbare grondsoorten, met vergelijkbare bouwplannen. Zie het als een kans om je duurzaamheidsprestaties te blijven verbeteren. In eerste instantie vooral voor stimulerend beleid. Maar let op! Na veertig jaar actieprogramma’s is een deel van de samenleving het ook zat en zonder aantoonbare vooruitgang verliest doelsturing zijn geloofwaardigheid en dan komt er alsnog kalenderlandbouw.
Tekst: Frank Verhoeven
Beeld: Ellen Meinen
